trainingsleer

Trainingsleer

 

In een handleiding voor sportinstructeurs, hoort natuurlijk ook een onderdeel trainingsleer. Hierbij een summiere samenvatting van enkele belangrijke basisprincipes van de sport, en hoe we die eventueel kunnen implementeren in de flyball.

TRAININGSPRINCIPES

 

1. Supercompensatie

 

Een principe dat in de trainingsleer wordt gebruikt is dat het menselijke lichaam zich verzet tegen verstoring van de homeostase. Door middel van training wordt het lichaam als het ware op de proef gesteld. De temperatuur loopt op, spieren verzuren, er wordt veel koolzuurgas geproduceerd, enz. Wanneer dat gebeurt zal na herstel het lichaam zich gaan instellen op deze verstoringen. Dit instellen of aanpassen zijn eigenlijk de trainingseffecten. Het verschijnsel dat het prestatievermogen na volledig herstel van een trainingsbelasting tijdelijk op een hoger niveau komt te liggen wordt supercompensatie genoemd.

Het is hierbij in de trainingsplanning van essentieel belang dat de volgende trainingsprikkel gegeven wordt in vak III van bovenstaand diagram. Komt deze prikkel frequent tijdens periode II, raakt men uiteindelijk overtraind. Komt de prikkel na III dan is het trainingseffect van de eerste prikkel verdwenen en had men even goed niet kunnen trainen.

2. Specificiteit

 

Een erg belangrijk trainingsprincipe is dat een aanpassing op fysiologisch vlak slechts doelmatig is wanneer voldoende specifiek getraind wordt. Met andere woorden, trainen op een andere discipline heeft geen rechtstreeks positieve invloed op de specifieke discipline. Bijvoorbeeld, een loper zal zijn loopprestatie niet specifiek zien verbeteren door te gaan roeien. Dit wil NIET zeggen dat het geen enkele zin heeft om diverse activiteiten te trainen. We denken aan afwisseling, blessurepreventie, vergroten van algemene vaardigheden, enz. Maar dit heeft géén rechtstreeks verband tot de verbetering van de prestatie.

3. Principe van verminderde meeropbrengst

 

Kort uitgelegd gaat het erom dat men bij training aanvankelijk met rasse schreden vooruitgang maakt, maar hoe hoger het niveau van conditie wordt, hoe meer inspanning men moet leveren om steeds kleinere winst te boeken.

4. Individualiteit

 

Elk individu reageert verschillend op een prikkel. Hoewel vele basisprincipes een goede richtlijn vormen tot training, moet men elke hond individueel evalueren. Het is niet omdat programma A optimaal was voor hond A, dat dit ook zo is voor hond B.

5. Overload

 

Het overloadprincipe stelt dat een training zwaar genoeg moet zijn en alleen effect heeft als er voldoende verstoring van de homeostase heeft plaatsgevonden.

6. Continuïteit & Progressiviteit

 

Om te voorkomen dat je prestatieniveau terugvalt dienen alle belangrijke componenten regelmatig bijgehouden of zelfs verbeterd te worden.

Als de trainingsprikkel steeds hetzelfde is zal je eerst wat vooruit gaan maar daarna blijf je op een gelijk niveau. Kortom, de belasting dient geleidelijk (progressief) opgeschroefd te worden.

7. Variatie

 

“Verandering van spijs doet eten”. Dit principe heeft betrekking op verschillende aspecten. Allereerst moet er variatie zijn in omvang en intensiteit van je training. Zware en lichte dagen moeten elkaar afwisselen. Ook dient de aandacht afwisselend gelegd te worden op verschillende prestatierelevante eigenschappen. Niet alleen uit fysiologisch oogpunt is afwisseling belangrijk maar vooral uit psychologisch oogpunt.

8. Cyclische organisatie

 

Continuïteit en variatie zijn enigszins in strijd met elkaar en vragen om een compromis. Het compromis bestaat uit het cyclisch organiseren van het trainingsproces: het in blokken van meerdere weken afwisselend belasten van de verschillende prestatierelevante eigenschappen (variatie), waarbij ervoor gezorgd wordt dat iedere eigenschap regelmatig aan bod komt (continuïteit). In de menselijke sport wordt meestal getraind in blokken van een zestal weken, waarin alle trainingsvormen cyclisch terugkomen.

Trainingsvormen

 

We onderscheiden volgende trainingsvormen die we met de hond kunnen trainen :

1. Techniektraining

 

Ongetwijfeld het belangrijkste onderdeel. Een hond in de beste topconditie kan geen flyball lopen zonder dat hij de techniek optimaal beheerst. Winst die gehaald wordt uit andere trainingsvormen zal altijd meer moeite kosten, dan winst uit een techniekverbetering. Het is duidelijk dat al het voorgaande dat besproken werd bij de oefenstof, valt onder de techniektraining. Wanneer men de techniek tot in de perfectie beheerst, kan men natuurlijk enkel nog maar winst halen uit andere trainingsvormen. Let er nochtans wel op dat eens de techniek verworven is, deze ook nog onderhouden wordt.

Zuivere techniektraining vraagt theoretisch weinig fysische belasting. Wanneer we nochtans als techniektraining bijvoorbeeld wissels trainen, moeten we ook rekening houden met de fysische vereisten en mogelijke vermoeidheid.

Idealiter, trainen we alle techniekvormen eerst zo veel mogelijk in uitgeruste vorm, omdat het lichaam van de hond zich beter adapteert aan techniek wanneer er geen verzuring is opgetreden. Wanneer de techniek correct uitgevoerd wordt, dienen we dit eveneens in te oefenen in vermoeide toestand. Zo niet lopen we het reële risico dat de techniek naarmate de wedstrijd vordert steeds slechter zal worden. Wanneer we dit trainen houden we er wél rekening mee dat we de techniektraining combineren met een anaërobe trainingsvorm.

2. Uithoudingstraining

 

Uithoudingstraining zijn die trainingsvormen waarbij de hond (en meestal ook de geleider) gedurende langere tijd actief is. Alhoewel een goede uithouding niet rechtstreeks bijdraagt om een snelle flyball-run te lopen (principe van specificiteit) is deze trainingsvorm wel essentieel om een conditionele basis te leggen :

a) Hoe groter de uithoudingsbasis van de hond, hoe vlugger deze recupereert van een anaërobe inspanning (supercompensatie). Dit impliceert zowel dat de volgende trainingsprikkel vlugger gegeven kan worden, waardoor het anaërobe trainingsniveau verder kan evolueren, maar dit impliceert ook dat de hond vlugger zal recuperen van de inspanningen tussen de verschillende heats.

b) Het is al ontelbare malen aangetoond dat een lichaam dat in uitstekende aërobe conditie is, veel beter bestand is tegen blessures.

c) Er is geen volledige duidelijkheid op wetenschappelijk gebied, maar elke trainer heeft in zijn ervaring wel ergens een anekdote waarin enkel extensief getraind werd, maar toch een effectieve verbetering van de sprintsnelheid gemerkt wordt.

We onderscheiden :

a) Extensieve uithoudingstraining : Minder dan 65% van maximale intensiteit. We denken hier vooral aan rustige wandelingen. Een hond die vrij meewandelt, of op z’n eentje rondkuiert, zonder externe verstoring, zal vrijwel steeds in deze zone “trainen”. Let wel dat er bij de hond op deze intensiteit pas sprake is van enige trainingsadaptatie wanneer de hond minstens één uur zonder ophouden actief is.

b) Gemiddelde uithoudingstraining : Tussen 65 tot 80% van de maximale intensiteit. Een stevig jogtempo voor de actieve geleiders is hier ideaal. Voor de minder sportieve geleider is het even efficiënt om aan een rustig tempo te fietsen. Een andere mogelijkheid om aan gemiddelde uithouding te trainen is om in een extensieve wandeling regelmatig korte versnellingen in te bouwen. Let hierbij op dat de hond niet overdreven begint te hijgen (afhankelijk van omgevingstemperatuur) want het is essentieel dat hierbij géén verzuring optreedt. Dus een rustige wandeling waarbij u bijvoorbeeld één keer om de vijf minuten de bal weggooit, kunnen we hieronder catalogeren.

c) Intensieve uithoudingstraining : Tussen 80 tot 90% van de maximale intensiteit. Het gaat hier om een training die de hond aan zo constant mogelijke snelheid kan volhouden gedurende ongeveer 20 minuten. Belangrijk hierbij is dat de hond in draf blijft, en niet overgaat in enige vorm van galop. Stel dat u ondervindt dat uw hond aan een tempo van ongeveer 16km per uur na 20 minuten vermoeid is, verhoog dan de snelheid niet maar tracht de tijdsduur op te drijven. Je zult ondervinden dat dit erg vlug verbetert, op voorwaarde je tussen de intensieve trainingen niet minder dan 2 dagen en niet meer dan 5 dagen tussenlaat. Wanneer je de tijdsduur systematisch verhoogt hebt tot 1 uur, kan je eventueel stilaan de snelheid nog gaan verhogen. Met de fiets en snelheidsmeter is dit de ultieme manier om de uithouding van uw hond tot een optimaal peil te brengen.

OPGELET : De algemene conditie van mens en hond kunnen we ons voorstellen in pyramidevorm, waarbij de meest extensieve vormen de basis zijn, en naarmate de vormen intensiever worden, ze hoger in de pyramide voorkomen. Dit impliceert dat men veel meer extensieve training moet aanreiken dan intensieve, anders komt het evenwicht van de pyramide in gevaar. En hoe breder de basis, hoe hoger de sporttempel uiteindelijk zal kunnen reiken. Een ideale trainingspyramide ziet er ongeveer als volgt uit :
5% SPRINT & WEERSTAND

10% INTENSIEVE UITHOUDING

25% GEMIDDELDE UITHOUDING

60% EXTENSIEVE UITHOUDING

Dit wil zeggen dat als je een kwartier per week met je hond op snelheid traint (sneller dan uithoudingstempo) je minstens een half uur intensief uithouding traint, 1.5 uur gemiddeld intensief traint, en je minimaal 4 uur per week met de hond extensieve trainingen doet. Let op, een half uurtje buiten aangelijnd wandelen kan je zoals gezegd NIET meetellen in de extensieve training. En twee halfuurtjes maken in dit geval niet één uur.

3. Weerstand- en Snelheidstraining

Hierbij moeten we een onderscheid maken in de verschillende energieleveringen.

1/ De snelste energieleverancier is de splitsing van ATP. De hoeveelheid ATP in de spier is voldoende om een zestal seconden maximale arbeid te leveren.

2/ Wanneer het ATP in de spier opgebruikt is, wordt dit opnieuw aangevuld via fosforilatie van creatinefosfaat (ADP + CP = ATP). De hoeveelheid CP in de spier is voldoende om maximale arbeid te leveren tot ongeveer 15 seconden.

3/ Wanneer zowel de ATP als CP opgebruikt is, kan enkel nog via anaërobe glycolyse energie vrijgemaakt worden. Dit kan 40 tot 45 seconden volgehouden worden. Belangrijk te onthouden hierin is dat er nog geen zuurstof gebruikt wordt (anaëroob) en dat er als afbraakproduct melkzuur gevormd wordt.

4/ De anaërobe glycolyse kan theoretisch zo lang energie maken als er glucose is, maar praktisch zal de opstapeling van melkzuur (verzuring) ervoor zorgen dat we op een andere energielevering moeten overstappen. Deze wordt dan de aërobe energielevering, waarbij we dan terug in de uithouding vallen. Hierbij wordt vanuit koolhydraten met behulp van zuurstof terug energie vrijgemaakt.

Nu is het perfect aannemelijk dat bij Flyball waar de honden amper 5 seconden presteren, alle energie wordt vrijgemaakt via ATP en CP aanwezig in de spieren. In de sport is het een gekend fenomeen dat deze processen slechts miniem trainbaar zijn. Zowel de uithouding als de anaërobe glycolyse (via lactaatproductie en lactaattolerantie) zijn erg goed vatbaar voor trainingsprikkels, maar dit kan niet gezegd worden voor de ATP & CP splitsing. Deze is hoofdzakelijk afhankelijk van volgende factoren :

1/ erfelijke aanleg

2/ elastische kracht

3/ vermogen (kracht x snelheid)

Krachttraining is als vanouds een erg discussieerbaar euvel, en zorgt steeds voor conflicten binnen de respectievelijke basisprincipes van de trainingsleer. Zo is bewezen dat de omzetting van kracht naar een sportspecifieke discipline enkel gebeurt wanneer de beweging zo specifiek mogelijk getraind wordt. Om het vermogen optimaal te kunnen trainen, dient op een zo hoog mogelijke snelheid getraind worden. De discussie sprintassisted versus sprintresisted training is hierbij eveneens aan de orde. Volgens de recentste studies in de atletiek is sprintresisted training (bijv. omhooglopen) eerder nadelig voor de trainingsadaptatie omdat de beweging te zeer benadeeld wordt. Aangeraden wordt om eerder aan hogere snelheid (bijv. naar beneden lopen) te trainen, maar hierbij stelt het blessuregevaar zich weer sterk. Zelfde verhaal bij de plyometrische krachttraining, waar hoewel bewezen is dat deze vorm van krachttraining zeer veel adaptatie geeft, het gevaar voor blessures te groot is om dit consequent toe te passen.

Kunnen we concluderen dat de allerbeste vorm van krachttraining voor flyball, het normale parcours trainen is en dat we hierbij eventueel extra sprongen kunnen plaatsen om overload te krijgen. Bergop trainen, of in mulzand, kan eventueel toegepast worden, maar we dienen er rekening mee te houden dat het niet bewezen is dat dit een grotere trainingsadaptatie te weeg brengt. Natuurlijk als variatie kan dit wel zijn positieve invloed hebben. Kort voor een wedstrijd trainen op een ander parcours lijkt zeker ook af te raden.

Ten slotte wil ik nog opmerken dat de aangehaalde theorie afkomstig is uit de trainingsleer en biologie voor menselijke training. Exacte gegevens voor training van dieren ken ik (nog) niet, maar ik vermoed sterk dat de basisideeën toch hetzelfde zullen blijven.

Veel plezier !

Edwin

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.