Trainingstips

TIPS

 

Hier een hele batterij oefeningen die kunnen toegepast worden. Alle oefendelen kunnen door elkaar ingeoefend worden, maar tracht wel de chronologie binnen de oefendelen te handhaven.

1. Basistraining

« Motivatie : Vooraleer te beginnen, dient men te beslissen wat voor de hond de ultieme motivator is. Flossie, snoep, bal weggooien, flossie met bal eraan,… Het is essentieel dat de bal in de flyballbox niet aanzien wordt als motivatie, maar wel als middel om het doel te bereiken. Zo niet, loop je veel kans dat voor de hond het spel afgelopen is wanneer de bal gevangen wordt. Let wel op dat een tweede tennisbal niet toegelaten wordt tijdens wedstrijden. De motivator moet de ultieme flyballwens zijn voor de hond, en moet qua motivatie boven al de rest uitkomen. Deze motivator noemen we verder M+.

« Zorg dat je de hond met je mee kan lokken. Zonder bal, enkel met M+, hou de hond bij u in de buurt, en lok de hond achteruit stappend mee. Wanneer je de andere kant uitrent, dient de hond je enthousiast te volgen. Dit is ook een erg belangrijke oefening die je met flyball-pups al van jongsaf dient te spelen.

« Oproepen : laat iemand je viervoeter vasthouden, en roep de hond op met M+. Verhoog stelselmatig de afstand tot ongeveer 10 meter.

« Vooral voor pups en beginnende honden is er een DVD van Springloaded (wereldrecordhouder met 15.22 !) ter beschikking.

2. Baltraining

« Keuze draaizijde : werp een bal weg, wacht tot deze stil ligt en laat de bal apporteren. Voer dit minstens een drietal keer uit, en zorg dat er bij de bal zo min mogelijk afleiding is (bijv. niet iemand die langs één kant komt staan). De zijde langs waar de hond draait, is de voorkeurszijde waar de bal zal komen. Bij twijfel kiest dan voor uurwijzerszin, want dit komt het meeste voor en is het meest praktische voor de training.

« Werp een bal naar je hond toe en zorg dat hij deze in één hap vangt en goed vasthoudt. Telkens hij goed vangt, onmiddellijk goed belonen, maar dat geldt natuurlijk voor alle oefeningen.

« Werp de bal schuin, in een straal van ± 30 cm rond het hoofd van de hond. Begin van op een afstand van ± 2m, en verklein systematisch deze afstand.

« Zelfde oefening, maar zonder belonen bij vangst. Na vangst van de bal, loop enkele meters weg, waarbij de hond moet volgen met de bal in de muil. Wanneer de hond bij je komt, uitbundig belonen met M+. Hierna deze afstand systematisch verhogen tot 10m. Eerst hou je oogcontact zodat je kunt controleren dat de bal niet losgelaten wordt, na verloop loop je echt weg om de snelheid op te drijven. Let wel, als de bal te vroeg losgelaten wordt, géén M+ !

« Hierna kan de bal weggeworpen worden, de hond mag achter de bal aangaan, en zo gauw deze de bal heeft, loop je zo vlug mogelijk in de andere richting met M+. De hond dient zo vlug mogelijk tot bij je te komen, met de bal vast. Tracht het enthousiasme in de beloning in verhouding te brengen tot de snelheid waaraan de hond terugkomt.

3. Kegeltraining

« Om de hond van begin af aan te laten wennen om het lichaam te draaien starten we eerst met het lopen rond een kegel, of een andere duidelijke markering. We beginnen in een ruime boog (± 5m links van S4 tot ± 5m rechts van S4 indien rechts gedraaid wordt) en bouwen dit op om vanaf S4 te vertrekken en aan te komen. Hiermee starten we aangelijnd en we wandelen mee.

« Corrigeer aanvankelijk de hond met de lijn om zo kort mogelijk achter de kegel te draaien. Eventueel zetten we de kegel dicht bij een muur, of in een hoek. Geef na het beëindigen ook steeds M+. Koppel hier reeds een commando aan het manoeuvre, bijvoorbeeld “kegel”.

« Hierna wordt de hond los opgestuurd rond de kegel.

« Gaat dit goed, loop je weer snel weg in de andere richting, zo gauw de hond aan de kegel komt.

« Hou M+ steeds klaar, en beloon weer enthousiast volgens de snelheid van uitvoeren.

« Eventueel kan een bal gelegd worden vlak achter de kegel, waarmee een combinatie van de baltraining en kegeltraining gemaakt wordt.

4. Dummybox of shoot

« Een shoot kan gemaakt worden volgens de plannen, beschikbaar op www.flyballdogs.com . Deze is idealiter zo groot dat een grote hond met de vier poten op de dummybox dient te lopen om aan de bovenkant te raken en zich dan op de box kan draaien. Met dit onderdeel mag je pas starten, wanneer de eerste stadia van de kegeltraining doorlopen zijn.

« De kegel wordt op ongeveer 25cm voor de box geplaatst, en de kegeltraining wordt uitgevoerd met de shoot in lage stand van ± 30-45°. Eerst wordt de afstand van de kegel tot de box systematisch verkleind, tot deze vlak tegen de box staat.

« Tussen de kegel en de shoot gaan we dan een lage drempel zetten, die we eventueel nog in hoogte kunnen verstellen. Bedoeling is dat de hond een sprong dient te maken om op de shoot te belanden. Dit natuurlijk idealiter met vier poten, en met een afstoot vanuit de achterpoten.

« Daarna wordt de hellingsgraad van de box gradueel verhoogd tot ± 80°. Bedoeling is om op te bouwen zodat onze trouwste vriend, in één sprong met de vier poten landt op de dummybox, en in één beweging terug afstoot op de achterpoten langs de andere zijde van de kegel.

« Werk steeds met M+ en combineer ook regelmatig met het weglopen in de andere richting. In het begin wordt er geen bal gebruikt.

« Wanneer de hond zich duidelijk met de achterpoten afduwt van de box om in uw richting te vertrekken, kan een bal voor de eerste keer geïntroduceerd worden. Bevestig deze met velcro hoog genoeg op de shoot, zodat de hond met de vier poten op de shoot moet gaan. Let er goed op dat in eerste instantie de hond duidelijk rond de kegel blijft gaan, en niet rechtstreeks naar de bal. De draaiing met het hele lichaam op de dummybox moet ten allen prijzen behouden blijven. Van zodra de hond de bal neemt, enthousiast roepen, weglopen en vervolgens belonen M+ ALS de hond de bal helemaal mee terugbrengt. Doet hij dit niet, is er waarschijnlijk in de baltraining iets overgeslagen. Alle andere richtlijnen uit de baltraining (2 d & e) blijven natuurlijk ook hier van tel.

« Vervolgens de plaats van bevestiging systematisch verlagen tot op dezelfde hoogte als de gaten van de flyballbox.

« Sta in dit stadium, maar eigenlijk ook niet in de andere, géén fouten toe. Als het misloopt, negeer de fout, géén M+, en zet in stilte een stapje terug. Loopt het dan terug goed, beloon extra en zet terug een stapje vooruit. Lukt het nog niet, stapje terug, belonen en ga naar een andere oefening. Volgende keer bouw je de oefening dan iets langzamer op. Maar dit geldt natuurlijk niet enkel voor Flyball.

5. Flyballbox-training

« We starten zoals bij de dummybox, zonder bal en met kegel voor de box.

« Eerst wordt er een hulpsprong, en eventueel zijwanden geplaatst, VOOR er met een bal gewerkt wordt. Hierbij gaan we precies werken als op de shoot, dus met één sprong op de box, rond de kegel en er weer af. De zijwanden worden indien mogelijk in trechtervorm geplaatst, zodat de hond enkel richting box kan gaan. Een reservesprong, met een dubbele plank ertussen, kan eventueel ook dienst doen. Het is nochtans aan te bevelen om langs de zijde van de box een duidelijke afbakening te zetten, om de hond van begin af aan te verplichten kort te draaien.

« Werkt dit goed, en kan de hond van op ongeveer twee meter zelfstandig, correct rond de kegel op de box en terug, dan wordt er een bal ingestoken. Vanaf dan is het oefenen geblazen om de bal te leren vangen, zonder de keerpunt-techniek te verwaarlozen. Vermindert het keerpunt, train terug zonder bal, en zelfs waneer alles perfect verloopt verdient het aanbeveling om soms enkel met kegel te trainen, of toch minstens zonder bal. Om een goede draaiing te beoordelen, kijk er dan in de eerste plaats naar of er niet te breed gedraaid wordt, en of er met de twee achterpoten krachtig van de box afgezet wordt. Eens de techniek er is, mogen tussenstapjes op de box ook niet meer getolereerd worden. Eén sprong op de box, en in één beweging er weer af. Telkens landen met de vier poten, en afstoten met de achterpoten.

6. Sprongtraining

« Voor het aanleren van de sprongen, werken we altijd volgens het principe van de backward chaining. Dus eigenlijk starten we met de beloning. Joepie !

« Beginnen van vlak achter S1, vervolgens van vlak voor S2, daarna achter S2, vervolgens vlak voor S3, etc. Let op dat je zeker niet te snel gaat, hooguit 2 à 3 stappen per les, tenzij je er “zeker” van bent dat er geen fouten gemaakt zullen worden. Zo wordt opgebouwd tot uiteindelijk het opsturen van op de box foutloos kan gelopen worden. Altijd zeer goed belonen, en als er naast een sprong gelopen worden, gewoon negeren en stapje terug. Als dit niet te vlug opgevoerd wordt kan elke hond dit perfect leren zonder enige vorm van afrastering of netten. Uiteindelijk kan je toch niet echt verder voordat de boxtraining op een degelijk niveau is, dus probeer hier zeker niet te snel te gaan.

« De eerste vier sprongen worden altijd zonder bal getraind. Enkel de beloning op het einde van de rit is er natuurlijk bij, en zorg er zoals steeds voor dat een extra snelle run ook extra beloond wordt.

« Een andere variatie bij beginnende honden is om naast de baan te lopen met de hond aangelijnd, en zo over de sprongen te laten gaan. Eventueel kan dit ook zonder leiband gaan. Dit gaat meestal vlot bij honden die uit agility komen. Let wel dat dit niet te lang gebeurt, want het is de bedoeling om de hond voor u uit te sturen.

« De eerste oefening waarbij bal en sprong gecombineerd wordt, is nog zonder box en kan gebeuren vooraleer de boxtraining ver gevorderd is. Hiervoor werk je met één sprong. Je houdt de hond achter één sprong, waarbij een helper ongeveer 2m achter de sprong een bal omhoogwerpt, eventueel laat stuiteren en neerlegt. Uw hond dient over de ene sprong te springen, de bal te apporteren en terug te keren over de sprong. Blijf zelf vlak achter de sprong staan en lok de hond over de sprong naar u toe. Let er zeker op dat de bal niet valt. U kunt vervolgens de afstand stilaan opbouwen tot 5m, en dit verder opbouwen tot twee sprongen. Eventueel kunt u verder gaan tot vier sprongen, hoewel dit weinig zin heeft, zonder flyballbox. Afhankelijk hoever u staat met de boxtraining, kan deze oefening natuurlijk perfect gecombineerd worden met 4 e tot i van de dummytraining, of in een later stadium ook met de flyballbox-training.

« Een alternatief in backward chaining is om hier de box toch al mee te nemen, met of zonder bal. Hierbij start van voor S4, naar box en terug over S4. Vervolgens S3 -> S4 -> box -> S4 -> S3, etc.

7. Wedstrijdtraining

« De wedstrijdtraining begint natuurlijk met het vervolmaken van alle bovenstaande onderdelen, alles in elkaar te laten vloeien tot een feilloos parcours, mét swimmersturn, een hoge snelheid en bekrachtiging met M+. Eens de hond in normale omstandigheden volledig baanvast is, start men met afwijkende omstandigheden en wissels. Alhoewel wissels sporadisch tijdens de sprongtraining zeker al geïntroduceerd kunnen worden.

« Wissels

« Vooraleer we beginnen met wisselen, dient men er rekening mee te houden dat twee honden die met elkaar moeten wisselen, ook naast elkaar moeten kunnen staan zonder in elkaars haren te gaan. Daarom is het aan te raden om honden in hetzelfde team ook samen te laten spelen (onder toezicht). Honden die niet samen los op het terrein kunnen lopen, laat je natuurlijk ook niet van elkaar wisselen.

« Bij het aanvangen van de sprongtraining beginnen we reeds om over de hindernissen te lopen, wat dan al sporadisch gecombineerd kan worden met per twee in tegengestelde richting te lopen.

« Aanvankelijk zetten we de sprongen dubbel, en laten we de honden aangelijnd naast elkaar in tegengestelde richting lopen. Dit kan aangelijnd met verschillende honden tegelijk gebeuren. Hierbij bouwen we geleidelijk de breedte van de sprongen af tot één sprong. Bedoeling is om de honden te laten wennen dat ze niet alleen op het parcours lopen.

« Om de wissels werkelijk te trainen, laten we de honden na elkaar lopen, en beginnen met de volgende hond los te laten als de vorige terug voorbij de startlijn is. Ik zou op dit punt steeds starten met het loslaten vanop 7m. Het moment van loslaten wordt dan stelselmatig vervroegd, maar pas op om dit niet te vlug te doen. Er dienen minstens vijf lessen over te gaan vanaf de eerste wissels tot in de buurt van scherpe wissels getraind wordt. Anders loopt u de kans dat uw hond een schrik oploopt. Eerst gaan we loslaten als de vorige boven de laatste sprong hangt, dan wanneer er geland wordt tussen S2 en S1 en zo verder tot de landing met de voorpoten halfweg parcours (tussen S3 en S2 = 6.4 m van startlijn). Dit punt houden we best vast om steeds te lossen en van daaruit kunnen we dan afhankelijk van wie we overnemen, onze afstand gaan aanpassen.

« Opsturen van zijkant :

« Vermits het niet evident is dat de hond de bal telkens in één keer vangt, kan het gebeuren dat deze een heel eind uit de baan neerkomt. De hond dient dan ook vanuit andere ooghoeken, steeds terug te keren naar S4.

« Daarom wordt het opsturen niet enkel van de box gedaan, maar tot twee meter naast de box. Aanvankelijk staat de handler diagonaal en houdt oogcontact, achteraf komt de handler steeds dichter naar het midden toe.

« Eventueel kan er ook getraind worden om de hond van tussen andere sprongen zijdelings terug tot in de baan te sturen.

« Omgevallen sprongen :

« Een sprong kan steeds omver gelopen worden door een voorganger. De achtervolgende honden dienen dan deze hindernis te nemen alsof de sprong nog recht stond. Om dit te trainen, leggen we af en toe in het parcours een sprong omver en wordt er zo verder getraind. Hou natuurlijk steeds in de eerste plaats de veiligheid in de gaten.

« De spronghoogte :

« Deze wordt bepaald door de afgeronde schofthoogte van de kleinste hond in het team, min 10 cm. Natuurlijk dient men er rekening mee te houden dat niet elk team steeds in dezelfde vorm springt, en dus niet altijd dezelfde spronghoogte heeft. Daarom dient er geregeld op verschillende hoogtes getraind te worden.

« Vooral bij grote honden merken we dat ze bij te lage spronghoogte in draf over de sprongen lopen, in plaats van in rotatiegalop te springen. Dit is natuurlijk ten nadele van de snelheid. Dit kan opgevangen worden door een verbetering van de motivatie, of door de spronghoogte tijdelijk extra hoog te zetten.

« Gedurende lange tijd op training hoger springen dan op wedstrijd zal anderszijds ontegensprekelijk ervoor zorgen dat op wedstrijd te hoog gesprongen zal worden. Dit natuurlijk ten nadele van de snelheid. Idealiter springt men steeds op wedstrijdhoogte, maar zoals gezegd kan deze niet altijd gegarandeerd worden.

« Afstand tussen sprongen :

« Deze bedraagt officieel 10 feet (3.05 m). Het is van essentieel belang dat snelle honden tussen elke horde slechts één stap zetten en m.a.w. in één galopsprong tot over de volgende horde gaan.

« Veel zien we dat honden tussen een bepaalde sprong een tussensprong maken. Dit veelal op de terugweg bij S4 – S3, maar dit kan bij elke sprong voorkomen.

« Om dit te voorkomen kunnen we in het begin van de trainingsperiode de horden dichter bij elkaar zetten. We opteren er wél voor om alle horden steeds op dezelfde afstand te zetten van elkaar. Daarom starten we bij beginnende honden met sprongen op slechts 2.5 m afstand van elkaar, hetgeen we achteraf stelselmatig opdrijven. Indien een hond een tussensprong neemt, nemen we best even een stapje terug. Ideaal worden de honden van begin af aan gewoon om in één sprong van het ene vak naar het andere te springen.

« Let wel : Om optimale snelheid te trainen, en dit vooral in wedstrijdperiode, dienen de honden op automatisme te kunnen lopen. Hiervoor dienen de sprongen dan weer steeds op dezelfde afstand te blijven, en kunnen we best tussen wedstrijden door niet op verschillende afstanden springen.

« Ideaal starten we in het begin van het seizoen (bijv. januari) met afstanden op 2.5m en verhogen we de afstand met 15cm per periode. Als we bijvoorbeeld in januari starten, en 15cm per maand verhogen, zijn we begin mei aan onze wedstrijdafstand.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.